De geneeskundige dienst van het Brugse Bureel van Weldadigheid op het raakvlak tussen sociale zorg en geneeskunde: een overzicht van de vermeldingen in de notulen van het Bureel van Weldadigheid.
Na de inlijving van onze gewesten bij Frankrijk op het einde van 1795 werd de Franse wetgeving en specifiek het nieuwe Franse systeem van openbare hulpverlening van kracht dat gecoördineerd werd door de burgerlijke overheid. Het recht op gratis geneeskundige zorgen voor wie op de armenlijst stond, zowel thuis als in het meest dichtstbijzijnde ziekenhuis, was vastgelegd in de wetgeving, gebaseerd op de Verklaring van de Rechten van de Burger en de Mens van het jaar II van de Franse Republiek en de latere decreten die deze wet verder invulden.
Sinds de oprichting van de voorlopers van het huidige OCMW[1] was het bieden van geneeskundige zorgen één van de grondslagen van de steun aan de armen[2]. Deze geneeskundige zorg was dubbel. Door dit gratis aan te bieden aan de behoeftigen werd ook de rest van de samenleving beschermd tegen epidemieën en besmettelijke ziekten.
Doordat de economie zich in de 19e eeuw van crisis naar crisis voortsleepte en vooral gekenmerkt werd door een gebrek aan sociale bescherming, was het aantal armen bij economische recessies schrikbarend hoog[3]. Hoe werd deze wettelijke plicht van gratis geneeskundige zorgen aan de behoeftigen in Brugge ingevuld?
Enerzijds was er de Commissie van Burgerlijke Godshuizen (CBG), die de hospitalen, de meeste godshuizen en de instituten overkoepelde en verantwoordelijk was voor het residentiële deel van de zorg in Brugge. Anderzijds was er het Bureel van Weldadigheid (BvW) dat de armen van Brugge thuis ondersteunde en hen gratis geneeskundige zorg aanbood aan huis. Een verblijf in het ziekenhuis en een doktersbezoek aan huis waren immers veelal te duur voor een groot deel van de bevolking. In de beginjaren van de Franse bezetting bestaat in Brugge enkel de Commissie van Burgerlijke Godshuizen die de residentiële en ambulante zorg bundelt. Dit is de reden dat vanaf de oprichting van een Bureel van Weldadigheid in Brugge er tal van discussies zijn tussen BvW en CBG welke doelgroep onder de verantwoordelijkheid van welke administratie valt. Deze discussies gaan over behoeftige ‘krank- of onzinnigen’ die thuis verblijven als gevolg van het feit dat dit goedkoper is voor de overheid dan een verblijf in een instelling en de opvang van vondelingen, verlaten kinderen en wezen, ‘ongeneeslijk’ zieken en bejaarden.
In dit artikel wordt dieper ingegaan op de geneeskundige dienst van het Bureel van Weldadigheid. In deze geneeskundige dienst waren zowel geneesheren, ‘chirurgijnen’[4], apothekers als vroedvrouwen actief.
Vervolg: zie hierna.
_______________________________________________________
[1] Decreet van 16 vendémiaire V (07/10/1796): oprichting van de Commissie van Burgerlijke Godshuizen (CBG). Decreet van 7 frimaire van het jaar V (27/11/1796): oprichting van de Burelen van Weldadigheid.
[2] Als arm of behoeftig werden diegenen beschouwd die niet zelf in hun levensonderhoud konden voorzien. Behoeftig werd men in de 19de eeuw al snel door werkloosheid, ziekte, handicap of overlijden van de kostwinner. Armen werden ingeschreven op de armenlijst en kregen steun om te overleven. De armenzorg was in de 19de eeuw de enige maatschappelijke ondersteuning die bestond.
[3] Op de armenlijsten waren in 1858 14.242 mensen ingeschreven in Brugge. De totale stadsbevolking bedroeg in 1856 48.673 personen. In een rapport van 19/10/1858 vermeldt BvW dat in 1858 zelfs 27.511 behoeftigen van Brugge werden ondersteund (6.683 gezinnen). De behoeftigen van elders die in Brugge woonden werden hier niet bijgerekend omdat deze middelen aan de gemeenten waar deze hun onderstandsdomicilie hadden werd teruggevorderd. OCMW-archief Brugge. BvW. 190/243bis.
[4] De voorlopers van de chirurgen. Pas met de moderne wetenschappelijke opleidingen wordt meer en meer gesproken over 'chirurgen' maar de term 'chirurgijnen' wordt nog decennialang gebruikt.
Vervolg: zie hierna.
Gepubliceerd in Montanus Tijdingen 2018, pp.15-65.
De armendokters van het Bureel van Weldadigheid.
Om de geneeskunde op het einde van de 18e eeuw een nieuwe stimulans te geven en om de bestaande geneeskundige structuren die hierbinnen actief waren te hervormen schaften de Franse revolutionairen de medische titels en de bestaande opleidingen af. Ook de scheiding tussen geneeskunde en chirurgie werd ongedaan gemaakt. Iedereen kon zich vanaf dat ogenblik vestigen als dokter, specialist of tandarts. Dit leidde tot heel wat ‘kwakzalverij’ (met doden en gevaren voor de volksgezondheid tot gevolg), alhoewel men natuurlijk voor ogen moet houden dat de toenmalige artsen op dat ogenblik ook niet ‘wetenschappelijk’ te werk gingen zoals we dit nu invullen. Hierop is de uitspraak van Marcel Proust (1871-1922), die zelf jarenlang ziek in bed verbleef en de zoon en de broer was van chirurgen, over de arrogantie van de positie van artsen die een geneeskunde beoefenden die gestoeld was op de medische kennis van die tijd die in die periode nog altijd een wankele basis had en dus in feite nergens op was gebaseerd van toepassing: ‘Het zou het toppunt van dwaasheid zijn om in de geneeskunde te geloven, als het niet nog dwazer was er niet in te geloven’[5].
De term ‘officiers de santé’ klonk enerzijds minder elitair. De opleiding van deze ‘officiers’ was beduidend korter dan de vroegere opleiding voor dokters omdat de revolutionaire legers door het sneuvelen van veel artsen kampten met een tekort aan medisch personeel. Deze duur van de opleiding was vergelijkbaar met deze van de ‘chirurgen’[6].
In 1797 wordt ook de katholieke universiteit in Leuven opgeheven waardoor het in Vlaanderen onmogelijk is om nog onderwijs in de geneeskunde te volgen. Ook het ‘Corpus Medicum’ van Brugge dat de opleiding en de uitoefening van het beroep van geneesheer reglementeerde wordt afgeschaft, in navolging van de afschaffing van de gilden. Tussen 1795 en 1803 worden wel medische faculteiten in Parijs, Montpellier, Straatsburg, Turijn en Mainz opgericht, waardoor kandidaat-geneesheren in Vlaanderen hun medische opleiding meestal in Parijs moesten volgen[7].
In het begin van de 19e eeuw komt hierin een kentering. Er worden scholen opgericht om artsen, heelkundigen, apothekers en vroedvrouwen op te leiden waardoor er terug academische medische titels bestaan[8]. Vanaf 1818 oefenen de Provinciale Commissies voor Geneeskundig Onderzoek en Toezicht controle uit over deze beoefenaars van de geneeskunde. Tussen 1821 en 1823 wordt een heel gamma van medische titels ingevoerd en wettelijk bevestigd. Hierbij werd de scheiding tussen geneeskunde en heelkunde die was opgeheven door de vroegere Franse wetgeving terug ingevoerd.
Op het einde van 1818[9] schrijft de ‘Commission de Surveillance Médicale’ van West-Vlaanderen, opgericht door de wet van 12/03/1818, een brief naar het Bureel van Weldadigheid met het voorstel voor de oprichting van een geneeskundige dienst in Brugge voor de armen die thuis verzorgd worden. BvW stelt een reglement hiervoor op. Vóór 1818 waren er reeds armendokters actief in Brugge om de behoeftigen bij te staan. Deze eerste geneesheren van de armen boden hun diensten gratis aan. Ze bezochten de behoeftigen aan huis, onderzochten hen, stelden een diagnose, schreven eventuele hulpmiddelen en medicijnen voor en volgden de patiënten op. Met het voorschrift van de armendokter kon de zieke behoeftige gratis geneesmiddelen ophalen in een aantal door BvW erkende apotheken in Brugge. Het Bureel van Weldadigheid had de werking en de structuur van de voormalige diswerkingen overgenomen en wilde onder de leuzen ‘voor iedereen zorg’ en ‘voor iedereen dezelfde zorg’ de steun aan huis herijken. BvW bereikte dit via het opstellen van reglementen op bepaalde onderdelen van haar werking.
Zo werd ook op het vlak van geneeskundige verzorging een geneeskundige dienst opgericht via een reglement voor de armen die thuis verbleven. Deze reglementen hadden als doel ‘misbruiken’ tegen te gaan. Met deze ‘misbruiken’ doelde BvW op zaken die niet liepen zoals zij dit vooropgezet hadden. Via reglementeringen en interventies kon BvW zich ook verdedigen tegen de kritiek die ze soms kregen van medeburgers en konden ze zo zoveel mogelijk de steun vrijwaren aan zoveel mogelijk behoeftigen. De armenmeesters moesten jaarlijks verslag doen over de zaken die niet goed liepen binnen de geneeskundige dienst en konden voorstellen formuleren voor eventuele verbeteringen.
Zo komen in 1821 en 1822 klachten binnen van armenmeesters en parochiegeestelijken over de werking van de geneeskundige dienst: armendokters weigeren behoeftige zieken te bezoeken als deze geen ‘biljet’ hebben van de armenmeester van de sectie waar ze wonen en zieken die dringend medische hulp nodig hebben in het ziekenhuis moeten eerst thuis bezocht worden door de armendokters maar soms wordt vruchteloos gewacht op dit huisbezoek. In het begin van 1822 vraagt BvW aan de stedelijke overheid om naar aanleiding van deze klachten van pastoors en armenmeesters over de ‘service sanitaire’ om enkele ‘Médecins’ en ‘Chirurgiens’ aan te stellen en te betalen om te voorkomen dat de zieke armen geen recht hebben op geneeskundige hulp.
Deze gemelde inbreuk op de wetgeving was volgens BvW reeds verschillende malen voorgekomen sinds de oprichting van de provinciale ‘Commission Médicale’ en het wettelijk verbod aan apothekers om de zieken thuis te bezoeken waardoor het recht op gratis geneeskundige zorgen voor de armen soms dode letter bleef. BvW stelt voor om vijf ‘Médecins’ en twee ‘Chirurgiens’ deels hiervoor aan te stellen en te betalen. Door hen aan te stellen en te vergoeden wilde BvW meer controle uitoefenen op het functioneren van deze armendokters en de soms gebrekkige werking van de geneeskundige dienst voor de armen thuis aan te pakken. De geneesheren die dit tot dan toe op vrijwillige basis hebben gedaan worden bedankt voor hun gratis diensten maar kunnen zich wel kandidaat stellen om erkend te worden volgens dit nieuwe reglement.
Halfweg 1822 benoemt BvW haar eerste lichting van vijf ‘Médecins’ en twee ‘Chirurgiens’ om geneeskundige hulp te bieden aan de ‘huiszittende armen’. De eerste armendokters die officieel door BvW worden aangesteld in 1819 zijn Collier, Dufour en Bossuyt en Alleweireld. Deze hadden aangeboden om dit gratis te doen. Ze waren elk in een andere parochie verantwoordelijk om de behoeftige zieken thuis te bezoeken. Dr. Dufour moet reeds in 1819 stoppen met dit engagement en wordt vervangen door dr. Rodenbach[10].
Wijzigingen in de reglementen van deze geneeskundige dienst moeten door BvW volgens het K.B. van 02/04/1829 in verband met ‘de benoeming en afzetting der geneeskundigen voor de godshuizen en armbesturen’ voorgelegd worden aan de ‘Stedelijke Regering’.
De armendokters van BvW werden volgens de reglementering aangesteld voor de termijn van één tot drie jaar en ontvingen hiervoor een jaarloon, zodat de armen dit doktersbezoek niet uit eigen zak moesten betalen. Voor mensen die op bepaalde ogenblikken of permanent van dag tot dag moesten overleven, was dit onbetaalbaar. Op het ogenblik dat hun termijn voorbij was, stelde het Bureel van Weldadigheid naar aanleiding van de sollicitaties voor deze functie een nieuw voorstel op met een dokter en een ‘chirurg’ per sectie[11]. Ook vroedvrouwen die hun diensten aanboden bij de armen aan huis werden erkend via een officiële lijst. Bij bevallingen die moeilijker verliepen waren deze vroedvrouwen verplicht om een beroep te doen op een armendokter. Al deze benoemingen waren pas officieel na goedkeuring door de gemeenteraad. BvW heeft hier kritiek op maar legt zich hier morrend bij neer omdat het stadsbestuur altijd het advies van BvW volgt.
De armengeneesheer moest zoveel mogelijk in het centrum van de sectie waarvoor hij was aangeduid wonen, zodat hij in noodgevallen vlug bij de patiënt aanwezig was. Als hij om één of andere reden belet was moest hij een andere armengeneesheer sturen, zodat de armen nooit verstoken zouden blijven van geneeskundige hulp op het ogenblik dat ze deze nodig hadden. Indien hij deze plicht verzuimde, verloor hij zijn vaste aanstelling en werd vervangen door een nieuw benoemde dokter. Waar in het begin van de werking van deze geneeskundige dienst BvW zich richtte op oudere dokters die zich aan het einde bevonden van hun loopbaan, veranderde dit al vlug naar jongere dokters met een wetenschappelijke opleiding die zo van BvW de kans kregen om hun carrière op te starten[12].
De armengeneesheren hadden naast deze sociale opdracht ook een eigen praktijk of waren werkzaam in het St.-Janshospitaal. Als voorbeeld kunnen we Isaac De Meyer vermelden. Deze dokter haalde zijn brevet van ‘hulpchirurg’ in het militair hospitaal van Brugge en vervolgt zijn opleiding in het medische korps van het Franse leger. Zijn praktijkervaring doet hij op als legerarts op de Europese slagvelden van Napoleon. In 1813 studeert hij af als dokter in de chirurgie aan de medische faculteit van Parijs. Hij trekt opnieuw ten strijde als chirurg-majoor in het Nederlandse leger en verzorgt de gewonden na de slag van Waterloo. Hij keert terug naar Brugge om hier zijn loopbaan verder uit te bouwen. Hij wordt aangesteld als armengeneesheer in 1822 en zal deze functie verder blijven uitoefenen tot 1859. In 1825 wordt hij voorzitter van de Brugse Medische Commissie en in 1826 wordt hij lid van de Provinciale Medische Commissie. Van 1827 tot 1836 geeft De Meyer les aan de Vrije School voor Geneeskunde in Brugge en is hierna verbonden aan de burgerwacht als chirurg-majoor. In 1833 wordt hij leraar en opvolger van Benoit Van Steenkiste aan de vroedvrouwenschool van het St.-Janshospitaal en in 1837 wordt hij aangesteld als chirurg in dit hospitaal als opvolger van Van Biesbrouck. In 1843 wordt hij aangesteld als leraar anatomie aan de Brugse Academie van Schone Kunsten. en in 1856 wordt hij verkozen als ondervoorzitter van de Belgische Medische Academie[13].
Na zijn overlijden in 1865 wordt Isaac De Meyer als chirurg van het Sint-Janshospitaal opgevolgd door Joseph Verriest, de toenmalige ‘toegevoegde’ chirurg. Deze ‘toegevoegde’ chirurg werkte ook tussen 1837 en 1862, veelal voor twee secties tegelijk, als armendokter van het Bureel van Weldadigheid.
Frederic Claeijssens werkte als ‘toegevoegde’ chirurg in het St.-Janshospitaal tussen 1842 en 1865 en was tegelijk één van de armendokters van BvW tussen 1837 en 1860. Vanaf 1870 komt Alfred De Vaux, geneesheer ‘in de drie takken van de geneeskunst’, in dienst van het St.-Janshospitaal terwijl hij tussen 1864 en 1873 benoemd is door BvW als armendokter[14].
Dr. George De Laey [15].was armengeneesheer voor Zeebrugge tussen 1902 en 1910 en tussen 1912 en 1915, het jaar dat hij naar Engeland vlucht. In 1911 had hij niet gesolliciteerd voor de functie van armendokter uit vergetelheid en in zijn plaats wordt dokter Ern. Leclercq uit Heist benoemd als armendokter voor Zeebrugge. In 1912 worden deze dokters allebei benoemd om samen de geneeskundige dienst van het Bureel van Weldadigheid van Brugge vorm te geven in Zeebrugge.
In 1902 komt er vanuit de gemeenteraad kritiek op het samengaan van de functies van armendokter van BvW en geneesheer in het St.-Janshospitaal omdat de combinatie van beide functies niet mogelijk zou zijn. BvW ontkent dit maar vanaf dat moment nemen de armendokters die benoemd worden in het St.-Janshospitaal ontslag[16].
Nu en dan wordt het reglement op de geneeskundige dienst gewijzigd op het vlak van benoemingstermijn en jaarloon, maar ook als de armen vrij een armengeneesheer mogen kiezen uit de dokters die aangesteld zijn door BvW en als BvW beslist om te werken met dispensaria waar de zieke armen die zich kunnen verplaatsen terecht kunnen bij de armendokters.
In de zitting van BvW van 04/02/1837 wordt het nieuwe ‘reglement voor de Dienst van de ‘Medecins’ en ‘Chirurgiens’ van stad Brugge goedgekeurd. Brugge wordt onderverdeeld in vier secties: 1) St.-Salvators 2) O.-L.-V. en St.-Catherina 3) St.-Walburga en St.-Anna en 4) St.-Jacobs en St.-Gillis. BvW benoemt één ‘Medecin’ en één ‘Chirurgien’ per sectie. Deze moeten in de eerste plaats de armen van hun sectie behandelen maar ook diegenen die worden aangewezen door de armenmeesters, zelfs als ze aan een andere sectie ‘toebehoren’. Deze armendokters moeten bereid zijn om op elk uur van de dag en van de nacht de armen die hun geneeskundige hulp vragen thuis te bezoeken. Hiernaast moeten ze ook één uur per dag beschikbaar zijn om de behoeftigen te ontvangen die hen willen consulteren. Medicamenten mogen enkel worden voorgeschreven na een huisbezoek aan diegene die ze nodig heeft. Bij ‘ernstige gevallen’ moeten ze zich laten bijstaan door één van hun collega’s. Hun loon bedraagt 150 fr. per jaar en ze worden benoemd voor één jaar, maar dit kan altijd worden verlengd. Bij vacatures is worden deze bekendgemaakt via de kranten. Sollicitanten moeten het diploma hebben van ‘Docteur en medecine ou en Chirurgie’ hebben en gedomicilieerd zijn in Brugge. Het toezicht op de geneeskundige dienst gebeurt door de armenmeesters die jaarlijks een rapport moeten bezorgen aan BvW over zowel de ‘misbruiken’ als over in te voeren verbeteringen in deze dienst.
Op 26/03/1864 keurt de gemeenteraad een nieuw reglement op de geneeskundige dienst van BvW goed. Er worden drie dispensaria opgericht waar de behoeftigen gratis geneeskundige hulp kunnen krijgen. Het eerste dispensarium bevindt zich in de Zwarte Leertouwersstraat en is bedoeld voor de secties O.-L.-V., Magdalena, St.-Walburga en een deel van St.-Anna. Een tweede dispensarium is gelegen in de Genthofstraat en is bedoeld voor de behoeftige zieken van het resterende deel van St.-Anna en de sectie St.-Gillis. Het derde dispensarium, voor de zieken van St.-Salvators en St.-Jacobs, werd opgericht in de ‘Centrale Armenapotheek’.
Deze dispensaria werden ingericht in huizen die het Bureel van Weldadigheid huurde of aankocht in Brugge. Ze lagen zoveel mogelijk in het centrum van het gebied dat ze bedienden. In elk dispensarium is er een bediende aanwezig die aan de armen die de dokter komen raadplegen een formulier bezorgt waarop de geneesheer medicatie kan voorschrijven. Deze bediende is ook verantwoordelijk om een lijst op te stellen van de armen die thuis een doktersbezoek vragen.
Vanderplancke, het lid van BvW dat afgevaardigd is om de geneeskundige dienst verder vorm te geven, stelt voor om Louis Anthierens (bediende van BvW), Edouard Roose (bediende van de ontvanger van BvW) en Francois Heuninck (bediende van CBG) te benoemen om de dienst waar te nemen in de dispensaria voorgeschreven door het reglement als de eerste bedienden. In dispensarium 1 en 2 wordt ook een conciërge benoemd. De eerste conciërges zijn Anthierens (vader) die zich als conciërge gratis mag vestigen in het huis in de Zwarte Leertouwersstraat. Charles Lams (kleermaker, Brugge) mag zich als conciërge vestigen in het huis in de Genthofstraat. Deze bedienden en conciërges worden regelmatig vervangen.
Door het reglement op de geneeskundige dienst van 1864 wordt de geneeskundige hulp aan de armen in deze dispensaria en thuis geleverd door zes ‘médecins-chirurgiens-accoucheurs’ die voor drie jaar worden benoemd door BvW nadat deze benoemingen bekrachtigd zijn door de gemeenteraad. Dagelijks tussen acht en negen uur ‘s morgens zijn steeds twee geneesheren aanwezig in elk dispensarium. Zij bezoeken de armen thuis die dit vragen of die hen toegewezen worden door BvW. Hun loon bedraagt 600 fr. Als de staat waarin een zieke zich bevindt een verblijf in het ziekenhuis vereist bezorgt de geneesheer deze een toegangsbiljet.
De functie van armengeneesheer werd door het Bureel van Weldadigheid beschouwd als een erefunctie, net zoals de functie van armenmeester die de armen thuis steun bezorgde en de armenlijst opstelde. Deze functies waren dan ook de speerpunten van de hulpverlening van BvW aan de behoeftigen. De armendokters waren een onderdeel van het paternalistisch systeem van liefdadige armenzorg van het Bureel van Weldadigheid. Enerzijds moesten ze hulp bieden maar anderzijds hadden ze ook een controlerende taak op het gebied van de hygiënische en morele omstandigheden bij de behoeftigen thuis. De armendokters werden ook ingeschakeld in de eerstelijnshulpverlening bij de epidemieën die Brugge teisterden, onder andere als gevolg van de ondervoeding en de catastrofaal slechte huisvesting. Hiernaast hadden ze ook een preventieve taak[17].
Toch begonnen deze armengeneesheren op bepaalde ogenblikken te morren omdat ze hun loon te laag vonden. Toen het zwaaien met het eervolle karakter van deze functie nog maar bitter weinig uithaalde, werd overgeschakeld naar het systeem van dispensaria[18]. Doordat hierdoor minder geneesheren op de loonlijst van BvW stonden en het budget strikt beperkt was, kon hun loon worden verhoogd.
De functie van armengeneesheer zal verdwijnen naarmate de sociale bescherming van de burgerbevolking meer wordt uitgebreid waardoor steeds meer mensen een beroep kunnen doen op reguliere dokters.
zie hieronder: chronologische lijst van de armendokters
vervolg: zie medische dienst(2)
____________________________________________________
[5] de Botton, A. Hoe Proust je leven kan veranderen. 2017, p.83.
[6] Foucault, M. De geboorte van de kliniek. Een archeologie van de medische blik. Amsterdam, 2008.
[8] Zo wordt BvW uitgenodigd om mee te helpen aan de installatie van de 'professeurs de médecine, chirurgiens, etc...' van de gratis opleiding, opgericht volgens het arrest van prefect Chauvelin van 04/04, in het 'hôpital civil' van Brugge op 04/05/1806.
[9] OCMW-archief Brugge. Notulen BvW, zitting 19/12/1819; BvW. Briefwisseling hogere overheid.
[10] OCMW-archief Brugge. BvW. Geneeskundige dienst. Aanstelling geneesheren, 189-194.
[11] Brugge was op het gebied van armenzorg onderverdeeld in zeven secties (overeenkomend met de parochies). Per sectie werden naast de armendokters ook armenmeesters aangesteld die verantwoordelijk waren voor de bedeling van steun aan huis en de inschrijvingen of schrappingen (bv. door 'slecht' gedrag) op de armenlijsten.
[12] In die periode begonnen de specialismen zich nog maar te ontwikkelen en werd het minder en minder mogelijk om als algemeen geneesheer 'kennis' te hebben over alle aandoeningen.
[13] Beernaert, B. Het bewogen leven van Isaac De Meyer (1786-1861). In: Verrept, I. (red.). Isaac. Leven en werk van een vellzijdig Brugs figuur. Brugge, 2005, pp.5-9; OCMW-archief Brugge. Notulen BvW.
[14] OCMW-archief Brugge. Notulen BvW en CBG. 'Service sanitaire'; BvW. Gerechtigden op bijstand. Aanstelling geneesheren, 154; BvW. Geneeskundige dienst. Aanstelling geneesheren, 189-194.
[15] Er zijn verschillende schrijfwijzen van zijn naam: aan elkaar of in twee woorden met op het einde een 'e' en George met of zonder 's' achteraan.
[16] OCMW-archief Brugge. Notulen BvW (1822 tot 1859).
[17] Over de koepokinenting heb ik reeds gepubliceerd in Onze Gazette, 2016, nr. 2; Brugs Ommeland, 2016, nr. 3 en op www.bartdemuynck.be. Naast deze pokkenepidemieën dook in de 19de eeuw op heel regelmatige basis tyfus en cholera op in Brugge.
[18] Een dispensarium is een soort 'polikliniek' waar een geneesheer kan geconsulteerd worden. Deze drie dispensaria van BvW bevonden zich in de Zwarte Leertouwersstraat, op de hoek van de Spanjaardstraat en het Oosterlingenplein (Genthofstraat en later verhuisd naar de Gouden Handstraat) en in de Moerstraat. Ook de armenapotheek fungeerde als dispensarium en werd op het einde van de 19de eeuw zelfs het enige dispensarium van BvW. Elk dispensarium bediende twee secties. Wanneer het moeilijker ging om zelf naar het dispensarium te komen bleven de armendokters huisbezoeken doen.
Gepubliceerd in Montanus Tijdingen 2018, pp. 15-65.
Overzichtslijst armendokters BvW
De Armendokters van het Bureel van Weldadigheid van Brugge*
*Deze chronologische lijst werd samengesteld op basis van de notulen van het Bureel van Weldadigheid. De schrijfwijze van de namen is zoals vermeld in deze notulen net als de aangegeven data van benoeming en ontslag. Deze informatie moet nog samengebracht worden met andere informatie in het OCMW-archief en in andere archieven. Deze versie van 09/2018 is een eerste versie en beoogt geen volledigheid maar enkel een grote aanzet hiertoe. Vooral de periode vóór 1818 behoeft nog verder onderzoek. Ook stamboomkundig onderzoek kan meer klaarheid brengen, net als onderzoek naar het combineren van de functie van armendokter met een functie in de Brugse armenziekenhuizen van CBG: St.-Jan, St.-Juliaans voor ‘onzinnigen’, de bedelaarswerkhuizen, gevangenissen, onderwijsinstellingen, godshuizen, enz…
François Van Steenkiste (‘chirurgien’) VIII-1822
Jamin (‘officier de santé’) VIII
Michel Van Biesbrouck (‘chirurgien’) VIII-IX
Beyts (zoon)(‘officier de santé’) IX
Vandenhende IX
------------------------------------------------------------------------- aanzet en oprichting geneeskundige dienst ---
Allerweireldt (‘médecin’) 1818
Janssens (‘médecin’) 1818
Maes (‘chirurgien’) 1818
Chent (‘chirurgien’) 1818
Duvivier (‘chirurgien’) 1818
Collier (‘médecin’)(gratis) 1818-1821
Antoine Dufour (‘médecin’)(gratis) 1818-1819
Bossuyt (‘médecin’)(gratis) 1818-1824
F.C. Rodenbach (‘médecin’) 1819
Pierre Verté (gratis) 1819-1827
Antoine Herreboudt (‘Docteur en Chirurgie’) 1822
Johannes Dezutter (‘Medicina Doctor’) 1824
Dominique De La Haye/Delahaije (‘M.D.’) 1824-1855
Meersman 1824
Janssens 1824
Maes-Beirens (‘Chirurgien-accoucheur’) 1826-1834
Ludovicus Defoere (‘Médecin’) 1829-1837
Eugêne Wemaer (‘docteur en medecine’) 1834-1847
Liévin Pieters (‘Chirurgien’) 1834-1843
Isaac de Meijer (‘Chirurgien’) 1837-1855
Jacques P.M. De Meersseman (vader)(‘Médecin’) 1837-1855
Frederic Claeijsens (‘Chirurgien’) 1837-1860
Charles Van Steenkiste (‘Chirurgien’) 1837-1843
Jacques De Meersseman (zoon)(‘Docteur en médecin’) 1837-1839
Guillaume De Brouwer (‘docteur en médecine’) 1839-1862
Joseph Verriest (‘chirurgien’) 1843-1862
Louis Buylaert (geneesheer) 1848-1852
Steyaert (geneesheer) 1848
Theophile Van Caeneghem 1848-1862
Antoine Beghin (‘médecin’) 1853-1860
Adolphe Dhooghe (‘chirurgien’) 1859-1867
Amand Caytan (‘médecin’) 1859-1867
Louis Allewaert (‘médecin’) 1861-1867
Alphonse Valcke (‘chirurgien’) 1861-1867
Alfred De Vaux (dokter in de 3 takken van de
‘art de guérir’) 1864-1873
Joseph Schramme (dokter in de 3 takken van de
‘art de guérir’) 1864-1870
August Verbaere (‘docteur en médecine, chirurgie
et accouchements’) 1864-1876
Ct Van Raepenbosch 1864
Delphin Gailliard 1864
Alphonse Moulaert 1867-1879
Felix Saeys 1867-1876
Louis Cailliau 1870-1894
Iréné Vander Ghinste 1873-1882
Emile Vanden Bossche 1876-1891
René Goethals 1876-1888
Emile Rotsaert 1876-1882
Charles Verté 1879-1891
Philippe Plettinck 1882
Jules De Schrevel 1882-1891
Em. Dumon 1888
Eugène Veys 1891-1894
Georges Mostaert 1891-1894
François Vanden Abeele 1891-1902
Léon Verhoef 1891-1894
Joseph De Vos 1894-1903
Aimé Leun 1894
Hector Loonus 1894-1906
Leon Neelemans 1894-1905
Oscar Reynaert 1894-1902
Jan De Haene 1901-1910
Paul Thooris 1903-1909
Charles Nelis 1903-1905
Emile Stuer 1905-1911
Edmond Merchie 1904-1911
Georges Vyncke 1906-1911
Georges De Laey (Zeebrugge) 1906-1910, 1912-1915
Edouard Taveirne 1907-1911
Eric Vande Lanot(t)e 1910-1912
Jozef Billiaert 1911-1912
Ern. Leclercq (Zeebrugge) 1911-1913
Maurice De Wulf 1911-1915
Firmin De Lille 1911-1918, 1920-1922
Philip Schram(me) 1913-1915
Désiré Van Caeneghem 1913-1916
Louis Verstraete 1914-1918
Karel Van Hee 1916
Cyriel Vande Moortele 1919-1922
Emiel Debandt 1919-1925
Alfons Donck 1919-1924
Arseen Van Oost 1920
Odile De Ketelaere (Zeebrugge) 1920
Oscar Vandercruyssen (Zeebrugge) 1920
De Ruytter 1920-1922
Jules De Schrevel 1920-1925
De Vos 1920-1923
Goethals 1920-1925
Goossens 1920-1925
Loonus 1920-1925
Mistiaen 1920-1925
Reynaert 1920-1925
Vanden Abeele 1920-1925
Vanden Broeck 1920-1925
Vanden Weghe 1920-1925
Ver Eecke 1920-1925
Verstraete 1920-1925
Alfred Stroobandt 1920
Van Maele 1920
Vande Calseyde 1921
De Winter 1921-1922
Thooris 1921
De Poorter 1923
Georges De Clercq 1924-1925
Leon De Clercq 1924
Remouchamps 1925
(versie 09/2018)
Gepubliceerd in Montanus Tijdingen 2018, pp. 15-65.